65 % Nederlandse gemeenten beschikt niet over een actueel sportbeleid

Publieke waarde

Publieke waarde is het collectieve beeld van wat de samenleving ervaart als waardevol” (Talbot,
2006) “en tot stand komt op een manier die legitiem is en vertrouwen wekt bij de samenleving”
(Moore, 1995).

Een niet onbelangrijk gegeven voor gemeentebesturen die het beste met hun burgers
voorhebben. En hoe is het gesteld met de publieke waarde van sportfaciliteiten en sport-, recreatie- en bewegingsprogramma’s waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn?

In een meer dan interessant artikel in de uitgave van de Vereniging Sport en Gemeenten van
september 2019 gaat Sandra van Maanen in op de Social Return of Investment van sport en
bewegen. Zij start het artikel met de vraag wat investeren in sport gemeenten oplevert. Een terechte
vraag. Het zijn immers de Nederlandse gemeenten die voor een aanzienlijk deel sportaanbod
faciliteren en bekostigen. Nederlandse gemeenten hebben in 2017 ruim 1 miljard euro netto aan
sport uitgegeven. Dat is 1,6 procent van alle uitgaven van de gemeenten en per inwoner gemiddeld
59 euro (bron: Monitor Sportuitgaven gemeenten, MulierInstituut 2018). Volgens Van Maanen levert
elke geïnvesteerde euro 2,5 keer zoveel op. En, zo gaat Van Maanen verder, de SROI kan gemeenten
helpen beleidsmatige keuzes te maken, te onderbouwen en te verantwoorden.

In deze benadering ligt een zwaar accent op het economisch rendement van sport en minder op
publieke waarde zoals eerder gedefinieerd. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, maar het is
ontegenzeglijk dat meer en meer gemeenten oog krijgen voor de publieke waarde van Sport.
Het ontsluiten van publieke waarde gebeurt door het nog nadrukkelijker ontwikkelen van integraal
sportbeleid waarbij verbindingen worden gelegd met het o.a. het sociaal domein, de participatiewet
en ruimtelijke planning.

Een vervolgvraag is hoe in de afgelopen 10 jaar publieke waarde door gemeenten is gemonitord en
gemeten. Rotterdam is een voorbeeld van een gemeente die als een van eerste de stap zette om
voor alle voorkomende productgroepen sport en recreatie prestatie-indicatoren en kengetallen te
ontwikkelen. Deze werden benut voor de verantwoording van geleverde diensten. Maar daarmee
was nog steeds sprake van een globale wijze van verantwoording. Welke accommodaties en diensten
biedt de gemeente aan, wat kost het, wat is het gebruik en wat is de gebruikerstevredenheid.
Uitgedrukt in financiële cijfers, prestatie-indicatoren, kengetallen en klantentevredenheidscijfers.

Verdiepingsslag meting en verantwoording

Bij de programma’s Lekker Fit en Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG) volgde een verdiepingsslag in
het monitoren, meten en verantwoorden. Meting van gedrags- en gezondheidseffecten zijn
voorbeelden van metingen van behaalde positieve gedrags- en gezondheidsresultaten. Op de schaal
van een onderzoekspopulatie, in de genoemde voorbeelden basisschoolleerlingen, kun je spreken
van al of niet behaalde waardevolle publieke waarde in de vorm van gedrags- gezondheidseffecten.

Doelmatige overheid en organiserend vermogen

Bij beleid, uitvoering en resultaatmeting van gemeentelijk sportbeleid is het zaak onderscheid te
maken tussen de rol van gemeenten, gesubsidieerde aanbieders, commerciële aanbieders en de
gebruikers van sportfaciliteiten en programma’s. Deelname aan en tevredenheid over het sport- en beweegaanbod van burgers kun je meten. Doelgerichtheid en efficiency van gesubsidieerde en
commerciële aanbieders kan inzichtelijk worden gemaakt en worden beoordeeld.

Maar hoe beoordeel je het organiserend vermogen en de doelmatigheid van gemeenten om op het
terrein van sport, recreatie en bewegen maximale publieke waarde te bewerkstelligen.
Wordt vanuit het laatste collegeprogramma het staande sportbeleid bijgestuurd? Beschikt een
gemeente over actueel beleid voor sport, recreatie en bewegen? Wordt nieuw sportbeleid
doelgericht gerealiseerd? De vraag stellen is hem ook beantwoorden.

Wordt daarvoor ingezoomd op de beschikbaarheid van geactualiseerde of nieuwe beleidsnota’s bij
gemeenten als bestuurlijk sturingsinstrument dan is er het volgende beeld (bron: databank
Vereniging Sport en Gemeenten). In het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen 2018 en het
daaropvolgende jaar 2019 brachten 31 (8,7%) van de gemeenten een nieuwe sportnota uit. In 2017,
voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen 2018 werd door 40 gemeenten (11,3 %) een nieuwe
sportnota vastgesteld. In de jaren 2014 t/m 2016 was dat bij 44 (12,4 %) gemeenten het geval.

Voor de achterblijvers geldt dat actuele ontwikkelingen binnen het beleidsveld sport, recreatie en
bewegen en de verbindingen met gezondheid en het sociaal domein zeer waarschijnlijk nog geen
plek in het beleid hebben gevonden. Of het kan zijn dat het omarmen van nieuwe beleidsinzichten en
de vertaling daarvan in uitvoeringsprogramma’s meer ad-hoc plaatsvindt.

En als alle gemeenten hun sportnota’s in de loop der jaren bij de databank van de VSG hebben
aangemeld, zijn er nogal wat gemeenten die op achterstand staan. De databank telt over de periode
2010 t/m 2013 115 beleidsnota’s van gemeenten (32,4 %). Zij lopen daarmee achter met hun beleid
sport, recreatie en bewegen. Zo is er een gemeente in Zuid-Holland met meer dan 100.00 inwoners,
een sterke economie en topsport binnen de gemeentegrenzen, maar geen actueel sportbeleid.

Een vervolgvraag luidt. In hoeverre kunnen gemeenten die op basis van “oud beleid’ hun
sportfaciliteiten aansturen en beweegprogramma’s laten uitvoeren, voldoende publieke waarde
beiden? En dit mede in relatie tot de publieke gelden die daarmee zijn gemoeid. Dat valt te
betwijfelen!

De oorzaak van achterblijvend beleid kan gezocht worden in politieke keuzes over de inrichting en
taken van de ambtelijke organisaties in het afgelopen decennium. Afdelingen sport die opgingen in
afdelingen welzijn en de overgang van zelf uitvoeren naar aanbesteden en regie voeren. En tenslotte
de invoering van de WMO waardoor sportbeleid een bescheiden plekje kreeg binnen het beleidsveld
sociaal domein. Met als gevolg dat beleidsontwikkeling sport bij gemeenten of moet worden
ingehuurd of achterwege blijft. En dat nog afgezien van de kennis die nodig is om bijv. de bouw van
nieuwe accommodaties aan te besteden.

Een meevaller voor gemeenten die met ‘oud beleid’ werken, is het besluit van het kabinet om
incidenteel geld beschikbaar te stellen voor de opzet en uitvoering van sportakkoorden binnen
gemeenten. Sportakkoorden die door een onafhankelijke sportformateur met de diverse
beweegaanbieders in een gemeente wordt opgesteld. Als dit door een sportformateur in een
gemeente goed wordt aangepakt, kan dit leiden tot waardevolle initiatieven op het vlak van sport,
recreatie, bewegen en gezondheid.

Het voorgaande kan voor gemeentebesturen ook een prikkel betekenen om als onderdeel van goed
openbaar bestuur het sportbeleid tegen het licht te houden en te vernieuwen. Door de inzet van
professionele beleidsadviseurs die kennis hebben van sport, recreatie en bewegen en niet alleen van
het sociale domein in engere zin. Meer Publieke Waarde Sport voor de burger door meer doelgericht
te werk te gaan. Het kan !